De goden van Olympus

Olympus, de hoogste berg van Griekenland (op de grens tussen Macedonië en Thessalië) was de plek waar de Olympische goden leefden en waar de troon van Zeus de oppergod stond. De Goden daalden regelmatig af om de mensen hulp te bieden, te straffen en zelfs om kinderen te verwekken. De kinderen die verwekt waren door goden en mens worden halfgoden genoemd en zij hadden bijzondere eigenschappen.

Zij verrichten heldendaden en werden door iedereen bewonderd. Het beroemdste godenhuwelijk uit de oudheid was tussen Zeus en Hera, het paar dat over het Griekse Pantheon heerste. De Twaalf olympische goden waren allemaal bijna oppermachtig, daar waar de macht van een van hen ophield, begon de macht van de ander. Alleen Zeus was echt oppermachtig. In veel zaken leken de goden op de mens, zij hadden hun zwakheden, hun passies en gevoelens. Zij werden kwaad, jaloers, afgunstig en ze hadden lief, net als de mensen.

De twaalf Olympische goden zijn

  1. Zeus
  2. Hera
  3. Athene
  4. Poseidon
  5. Demeter
  6. Apollo
  7. Artemis
  8. Hermes
  9. Aphrodite
  10. Ares
  11. Hephaestus
  12. Hestia